Ontslag met wederzijds goedvinden
Bij een ontslag met wederzijdse goedvinden spreken beide partijen, werkgever en werknemer, in onderling overleg af om het dienstverband te beëindigen. Met andere woorden, de werknemer stemt vrijwillig in met het ontslag. De werknemer kan niet gedwongen worden om mee te werken, want dan is er namelijk geen sprake van een ontslag met wederzijds goedvinden.
Bij een ontslag met wederzijdse goedvinden hoeft de werkgever ook geen toestemming te vragen aan het UWV WERKbedrijf om het dienstverband op te zeggen. Partijen hoeven ook niet naar de kantonrechter, want er is immers geen meningsverschil. In sommige gevallen kan het handig zijn om een ontslag met wederzijds goedvinden tóch via de kantonrechter te laten lopen. Dit heet dan een ‘pro forma procedure’. Vaak heeft dit tot doel om de WW rechten van de werknemer veilig te stellen of om de opzegtermijn te bekorten.
De belangrijkste kenmerken van een ontslag van wederzijdse goedvinden zijn:
- werknemer of werkgever stelt voor het dienstverband te beëindigen;
- werknemer en werkgever stemmen beide in met het beëindigen van het dienstverband;
- werknemer en werkgever komen er samen uit wat betreft de hoogte van de ontslagvergoeding. De kantonrechtersformule kan als rekenformule gebruikt worden.
De afspraken worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Het opstellen van de vaststellingsovereenkomst is belangrijk en vooral in het belang van de werknemer. Als de werknemer en de werkgever namelijk geen vaststellingsovereenkomst met elkaar afsluiten, dan kan er naderhand discussie ontstaan. Als een vaststellingsovereenkomst is gesloten staan de afspraken vast.
Daarnaast is het sluiten en ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst van belang omdat de werknemer bij het aanvragen van een WW-uitkering de overeenkomst moet laten zien.